Zeven jaar
Lieve M.,
Soms schreeuwt mijn hart je naam. Een wanhoopskreet. Dan kijk ik naar de lucht voor een teken van leven. Maar die blijft blauw, of grijs, soms onheilspellend donker dan weer helderlicht. De hemel zit daar achter en blijft voor mij hermetisch gesloten. Zeven jaar. Al bijna zeven jaar is het alweer dat je dood bent. En soms overvalt me dat rauwe gemis. De pijn is dan net als in het begin. Diepe sneden die door mijn ziel worden getrokken, keer op keer. Hoe leg je dat uit aan iemand die dat zelf niet heeft meegemaakt?
Sommige mensen zeggen dat ik je niet loslaat, dat ik me vastklamp aan spullen, herinneringen. Hoe leg je uit dat je sommige herinneringen niet wil loslaten? Het is net alsof door mijn herinneringen aan jou jij nog een beetje doorleeft. Samen met mij.
Loslaten, het is zo’n clichéwoord dat ik zelf ook weleens gebruik. Zo makkelijk gezegd om rauwe pijn van een ander of jezelf niet aan te willen zien, of te doorleven. Soms zoek ik die pijn bewust op. Het is mijn zwarte maan. Ik doe mijn ogen dicht en ik voel je, zie je, ruik je. En dan laat ik de pijn stromen, het gemis toe.Die gapende, donkere ruimte in mijn ziel. Die jij eens op wist te vullen. Vanaf het eerste moment dat we elkaar zagen kende ik je. Alsof ik wist wie jij was in het diepst van je wezen en andersom. Jij wist wie ik was. Ook al waren we anders. We kenden elkaars schaduw.We konden lelijk zijn bij elkaar en hadden elkaar dan niet minder lief. Dat mis ik nog het meest…maar ook je eigenheid, je onafhankelijke visie. Die zo respectvol kon botsen met de mijne. Onze gesprekken. Je was mijn muze.
Soms deel ik een herinnering. Zoals met je moeder. Dan glimlachen we en zijn daarna even stil. In de stilte zweeft het gemis, ben je toch aanwezig. Ik heb je moeder nog nooit een traan om je zien laten.. Misschien huilt haar hart razende kreten, maar je ziet het nooit. Of heeft ze uit angst voor een breuk, een scheur, haar hart gepantserd met een geweven harnas van glimlachjes? Ik weet het niet en ik zal het ook nooit weten. Zó dicht als ik bij jou mocht komen, zó ver houdt jouw familie me van hun zieleroerselen vandaan.
Als ik met oude vrienden ben dan komt het weleens voor dat we een muziekstuk horen. Of een kunstwerk zien. Dat zou jij mooi vinden, zeggen we dan tegen elkaar. We knikken tevreden omdat we jouw voorkeuren zo goed kennen. Dan ben ik even niet alleen. We delen het gemis, de pijn dat je er niet meer bent om nieuwe voorkeuren te ontwikkelen.
In die zeven jaar heb ik me wél ontwikkeld. Ben verder gegaan, heb nieuwe herinneringen gecreeërd zonder jou. Ik heb een nieuwe baan gekregen, de kinderen groter zien groeien, verre reizen gemaakt, ben een nieuwe studie begonnen en nieuwe ‘liefdes’ aangegaan. Ik had het graag met je gedeeld, maar dit is een nieuw hoofdstuk in mijn leven.
Ze zeggen weleens dat na iedere zeven jaar er een nieuwe cyclus begint en misschien is dat ook wel zo. Het lijkt alsof mijn bezigheden soms ook een deel van het gapende gat in mijn ziel kunnen vervullen, een diepte kan bereiken die lange tijd verborgen was onder het zware verdriet dat ik voelde. Nu, na zeven jaar laat een andere kant van mijn zwarte maan zich weer zien. Een helende, regenererende kant. Ik groei. En ik weet zeker dat jij daar ergens in de hemel met een grote glimlach naar me kijkt!
